Door Carmine Palm op dinsdag 18 juli 2017
Miep Diekmann, schrijfster van jeugdboeken, is op 9 juli overleden. Maria Hendrika Jozina (Miep) Diekmann is geboren in Assen op 26 januari 1925. Van 1934 tot eind 1938 woonde ze in Willemstad op Curaçao. Haar vader was daar commandant van de militaire politie was. Diekmann schreef zo’n zeventig kinder- en jeugdboeken, waarvoor ze vaak teruggreep op haar eigen jeugdjaren op de Antillen. Ze werd diverse keren bekroond. Voor ‘De boten van Brakkeput’ (1956) kreeg ze de Kinderboekenprijs (de latere Gouden Griffel). En voor ‘Dan ben je nergens’ (1975) meer kreeg Diekmann de Nienke van Hichtum-prijs . Ze schreef de historische roman ‘Marijn bij de lorredraaiers’ (1965) en ‘De dagen van Olim’ (1971) voor de wat oudere jeugd waarin taboeonderwerpen (seks, slavernij) voorkwamen. Maar ze schreef ook veel boeken voor jongere kinderen. In een interview met Erna Staal in het tijdschrift Jaarboek Letterkundig Museum 6 uit 1997 vertelt Miep Diekmann waarom veel van haar boeken over Curaçao gaan: Geen enkel boek over zwarte kinderen “Ik wist al heel vroeg dat ik kinderboeken zou gaan schrijven. Ik zat op Curaçao op een nonnenschool en daar werd ik voor het eerst geconfronteerd met donkere kinderen, want die hadden wij toen helemaal niet in Nederland, in 1934. Ik was ongelofelijk nieuwsgierig en ik las veel, maar er was geen enkel boek over zwarte kinderen te vinden. En je ging aan zo'n kind ook niet vragen, “Zeg, is je grootvader nog slaaf geweest?” Want dat had ik wel eens bij de dienstmeisjes geprobeerd, maar die wilden daar niet over praten. Die wilden zelfs hun eigen taal niet spreken. Ze waren allemaal naar school geweest en het was een soort statussymbool om Nederlands te spreken. Mijn ouders hoefde ik niks te vragen, want die wisten ook niets van zwarte mensen af. Het idee kwam als een soort bliksemflits. Als er geen boeken over zwarte kinderen zijn, ga ík ze wel schrijven, bedacht ik. En van dat idee ben ik feitelijk nooit afgeweken. Maar noem het géén roeping! Het is gewoon ontstaan uit verontwaardiging.” “Eind 1938 gingen we terug naar Nederland. Mijn ouders gingen uit elkaar, scheiden kon niet vanwege het geloof. Ik bleef bij mijn vader. Nadat hij in de oorlog in krijgsgevangenschap was geraakt, woonde ik bij een toeziend voogd.” “Het tweede boek dat verscheen, Panadero pan (1947), is mijn eerste West-Indische boek. Geheel geschreven op mijn herinnering als dertienjarige. Eigenlijk voelde ik toen al dat ik mijn thema had gevonden. Ik zat natuurlijk steeds met een hoop vragen, maar bij wie kon ik te rade? Er was absoluut geen voorbeeld voor mij. Dat heeft in feite nog jaren geduurd.” De boten van Brakkeput “Halverwege de jaren vijftig schreef de Arbeiderspers een wedstrijd uit voor een kinderboek. Daar heb ik De boten van Brakkeput voor geschreven. Ik zag eindelijk een kans om eens iets heel anders te doen en misschien bij een andere uitgeverij terecht te komen. Maar ik kreeg het manuscript terug, met een briefje van Reinold Kuipers dat het helemaal geen kinderboek was en dat het slecht was. Daar zat ik. Ik liet het briefje lezen aan een goede vriend van mij, de letterontwerper Helmut Salden. Die heeft mij vervolgens geïntroduceerd bij Leopold. Daar wilden ze het graag uitgeven, maar ze zeiden wel dat ik met een dergelijk boek nooit geld zou verdienen of naam zou maken. Daar ging het me helemaal niet om. Ik wilde het gewoon publiceren.” “Eigenlijk zou over 1956 een boek van Annie Schmidt bekroond worden als beste kinderboek van het jaar. De eerste winnaar was An Rutgers, de tweede Cor Bruijn, en dus moest de derde wel Annie worden. Zo gaat dat met prijzen, niet? Maar in de jury dat jaar zat Hannie Wolf, hoofd uitleen jeugdboeken in Den Haag en die kwam met mijn boek. Ze zei tegen de jury: “De boten van Brakkeput moeten jullie lezen, dat is echt nieuw!” Toen zijn vier van de vijf juryleden omgegaan. En daarmee had ik die prijs. De boten van Brakkeput werd “beste kinderboek van het jaar 1956”. Padu is gek “Ik had natuurlijk een thema waarbij ik geen concurrentie had. Er was niemand die op mijn manier over zwarte kinderen schreef. Ondertussen was Padu is gek (1957) verschenen. Op het moment dat Leopold nog niet de definitieve beslissing had genomen over Brakkeput, belde mijn oude baas uit Assen op dat hij wel een boek van mij wilde uitgeven. Ik ben bij mijn moeder in Assen in huis gaan zitten en ik heb het verhaal in één keer opgeschreven, in acht dagen en nachten. Van 's ochtends tot 's ochtends vroeg. Met een fles brandewijn op tafel. Mijn moeder zei: “Ik vind het niet erg dat je drinkt, maar wil je het wel uit een glas doen?” Padu verscheen uiteindelijk ook bij Leopold.” “Vervolgens kreeg ik een opdracht van de Koopvaardij. Er moest een boek komen dat meer jongens naar de zeevaart zou trekken. Eerst wilden ze mij een Europese kustreis laten maken, maar ik wilde naar de Antillen om research te doen. Na wat heen en weer gepraat regelde ik dat ik daarheen kon. De Stichting voor Culturele Samenwerking tussen Nederland, Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen (Sticusa) in Amsterdam regelde mijn daggeld, als tegenprestatie hield ik lezingen. En voor de Koopvaardij schreef ik Driemaal is scheepsrecht (1960). Maar eíndelijk kon ik onderzoek plegen, kon ik kijken of het allemaal wel klopte wat ik had opgeschreven. Ik was ondertussen drieëndertig, dus er zat al twintig jaar tussen mijn herinnering en het schrijven van die Antilliaanse boeken.” Gewoon een straatje “Op de Antillen heb ik een opzet gemaakt voor Gewoon een straatje (1959), de personages zijn allemaal geïnspireerd door bestaande kinderen. Tijdens de terugreis aan boord heb ik de verzamelde gegevens uitgewerkt. Als je die drie boeken in chronologische volgorde leest, Brakkeput, Padu en Een straatje, zie je dat ieder boek steeds een beetje Antilliaanser is geworden.”